Lisa moest eten kopen voor de week. Ze liep naar de supermarkt bij haar huis. De supermarkt was groot en had veel producten. Lisa pakte een winkelwagen bij de ingang. Eerst ging ze naar de groente- en fruitafdeling. Ze pakte wat appels, bananen en sinaasappels. De tomaten zagen er vers uit, dus nam ze er vier. Daarna moest ze brood kopen. Ze koos een volkorenbrood. Toen liep Lisa naar de zuivelafdeling. Ze legde melk, kaas en yoghurt in haar winkelwagen. Ze had ook eieren nodig voor het ontbijt. Lisa vond een doos met twaalf eieren. Daarna ging ze naar de vleesafdeling. Ze kocht kip en wat vis. Lisa wilde ook pasta en rijst. Ze vond ze in gangpad vijf. Ze herinnerde zich dat ze koffie en thee nodig had. Lisa legde beide in haar winkelwagen. Ze keek nog een keer naar haar boodschappenlijst. Ze had alles wat ze nodig had. Lisa ging naar de kassa. Er stonden twee mensen voor haar. Ze wachtte op haar beurt. De caissière scande al haar spullen. Het totaal was vijfenveertig euro. Lisa betaalde met haar bankpas. Ze stopte alle boodschappen in haar tassen. Lisa bedankte de caissière en verliet de winkel. Ze was blij dat het boodschappen doen snel en gemakkelijk was.

Dutch Story (A1)In de supermarkt
This A1 Dutch story is designed for beginner learners. Click any word for instant translation and build your vocabulary as you read.
aboutStory
Lisa gaat naar de supermarkt om eten voor de week te kopen. Ze pakt een winkelwagen en bezoekt verschillende afdelingen: groente en fruit, zuivel, vlees en kruidenierswaren. Ze kiest verse producten, brood, melk, eieren, kip, vis, pasta, rijst, koffie en thee. Na het controleren van haar lijst betaalt ze bij de kassa en vertrekt tevreden na haar snelle boodschappen.
1 / 30
🇳🇱Nederlands→🇬🇧English
Linked wordUnderlined wordOther words
Comprehension Questions
3 questions
1
Hoeveel betaalde Lisa voor haar boodschappen?
2
Hoeveel eieren kocht Lisa?
3


