Het is twaalf uur. Het is tijd voor de lunch. Ik verlaat mijn bureau en loop naar de lunchruimte. De lunchruimte is op de tweede verdieping. Ik neem de trap. De lunchruimte is groot en licht. Er zijn veel tafels en stoelen. Ik zie een magnetron en een koelkast. Er is ook een koffiezetapparaat. Ik neem mijn lunch van huis mee. Ik heb een boterham en een appel. Ik leg mijn lunch op een tafel. Ik ga naar het koffiezetapparaat. Ik maak een kopje koffie. De koffie ruikt lekker. Ik ga aan mijn tafel zitten. Mijn collega Anna komt binnen. 'Hallo! Mag ik bij je zitten?' vraagt ze. 'Natuurlijk!' zeg ik. Anna heeft een salade voor de lunch. We eten en praten over het werk. 'Hoe gaat je project?' vraagt Anna. 'Het gaat goed,' antwoord ik. Meer collega's komen naar de lunchruimte. De ruimte is nu vol mensen. Iedereen is blij en ontspannen. Ik eet mijn boterham op. De appel is zoet en vers. Ik kijk naar de klok aan de muur. Het is bijna één uur. De lunchpauze is bijna voorbij. Ik was mijn kopje en bord af. 'Tot later, Anna!' zeg ik. 'Doei! Fijne middag!' zegt ze. Ik ga terug naar mijn bureau om verder te werken.

Dutch Story (A1)De lunchruimte
aboutStory
Een werknemer gaat rond het middaguur naar de lunchruimte voor zijn pauze. Ze nemen een boterham en een appel van huis mee en maken koffie. Een collega genaamd Anna voegt zich bij hen, en ze praten over het werk terwijl ze eten. Na de lunch ruimen ze op en keren terug naar hun bureau.
1 / 35
🇳🇱→🇬🇧Click any sentence for translation
Test your Dutch skills with interactive exercises
Match 10 wordsFill 7 blanksReorder 7 sentencesDictate 7 sentences


