Tom gaat een kleine winkel binnen. De winkel verkoopt eten en drinken. De winkelier staat achter de toonbank. Ze is een vrouw met bruin haar. 'Goedemorgen!' zegt de winkelier. 'Goedemorgen!' antwoordt Tom. 'Hoe kan ik u vandaag helpen?' vraagt ze. Tom kijkt rond in de winkel. Hij ziet melk, eieren en kaas. Er zijn ook appels, sinaasappels en bananen. 'Ik heb wat melk nodig, alstublieft,' zegt Tom. 'Hoeveel melk heeft u nodig?' vraagt ze. 'Een liter, alstublieft,' antwoordt Tom. De winkelier pakt melk van de plank. 'Anders nog iets?' vraagt ze. 'Ja, ik heb ook eieren nodig,' zegt Tom. 'Hoeveel eieren?' vraagt ze. 'Zes eieren, alstublieft,' zegt hij. Ze legt de eieren in een doos. 'Heeft u vandaag brood nodig?' vraagt ze. Tom denkt even na. 'Ja, een brood, alstublieft,' zegt hij. 'Dit brood is heel vers,' zegt ze. 'Is dat alles?' vraagt ze. 'Ja, dat is alles,' zegt Tom. De winkelier telt de prijzen op. 'Dat is vijf euro twintig,' zegt ze. Tom opent zijn portemonnee. Hij geeft haar een biljet van tien euro. Ze geeft hem zijn wisselgeld. 'Hier is vier euro tachtig,' zegt ze. 'Dank u wel,' zegt Tom. 'Graag gedaan,' antwoordt ze. Ze doet zijn spullen in een tas. 'Fijne dag verder!' zegt de winkelier. 'U ook! Tot ziens!' zegt Tom. Tom verlaat de winkel met zijn tas. Hij is blij met zijn boodschappen.

Dutch Story (A1)Winkelier en klant
Dit A1 Nederlands verhaal is ontworpen voor beginner die Nederlands leren. Het bevat eenvoudige woordenschat en korte zinnen om je lees- en luistervaardigheden te verbeteren. Klik op elk woord om vertalingen te zien en de uitspraak te horen.
About this story
Tom bezoekt een kleine plaatselijke winkel om boodschappen te doen. De vriendelijke winkelier begroet hem en helpt hem alles te vinden wat hij nodig heeft. Hij koopt melk, eieren en vers brood. Na betaling met een biljet van tien euro en het ontvangen van zijn wisselgeld, verlaat hij de winkel tevreden met zijn aankopen.
Translations in English
Linked wordUnderlined wordOther words
Comprehension Questions
3 questions
1
Wat koopt Tom in de winkel?
2
Hoeveel betaalt Tom voor zijn boodschappen?
3
Hoeveel eieren heeft Tom nodig?
Vocabulary
20 words from this story


