LingoStories AppLingoStories App
Robinson Crusoe
B1Chapter 7 / 15785 words70 sentences

Een huis bouwen

Chapter 7 · Robinson Crusoe · B1 Dutch. Tip: Click on any word while reading to see its translation. Take your time with each chapter and review the vocabulary before moving on.

Chapter Summary

Robinson bouwt onderdak en begint zich aan te passen aan het eilandleven.

1 / 70
🇳🇱Nederlands→🇬🇧English
Linked wordUnderlined wordOther words
Nu mijn kamp was opgezet, begon ik mijn leefomstandigheden te verbeteren. Mijn eerste project was om goede meubels te maken voor mijn nieuwe huis. Ik had nog nooit met hout gewerkt, maar ik leerde snel. Ik maakte een tafel en een stoel van planken die ik van de bomen zaagde. Het werk ging langzaam omdat ik alleen eenvoudig gereedschap had. Het kostte me weken om één stoel te maken, maar ik was er erg trots op. Vervolgens bouwde ik planken aan de muren van mijn grot. Nu kon ik al mijn voorraden netjes organiseren. Ik verdeelde mijn buskruit in kleine pakjes en verstopte ze op verschillende plaatsen. Ik was bang dat de bliksem zou inslaan en alles in één keer zou doen ontploffen. Het regenseizoen kwam en ik ontdekte problemen met mijn tent. Ondanks mijn zorgvuldige werk lekte er water door op verschillende plaatsen. Ik bracht vele dagen door met reparaties en verbeteringen. Tijdens de zware regenval bleef ik binnen en werkte aan kleinere projecten. Ik maakte manden van dunne takken om dingen te dragen. Ik probeerde kleipotten te maken, maar ze braken toen ik ze in de zon droogde. Na vele mislukkingen leerde ik ze in een heet vuur te bakken. Eindelijk had ik potten die water konden vasthouden en eten konden koken. Dit was een grote prestatie die mijn dagelijks leven veranderde. Nu kon ik water koken en warme stoofpotten en soepen maken. Op een dag vond ik iets verrassends in mijn grot. Kleine groene plantjes groeiden uit een zak die ik had weggegooid. Ik herinnerde me dat de zak ooit wat oud graan had bevat. Ik had hem geleegd omdat ik dacht dat het graan bedorven was. Maar nu zag ik dat gerst en rijst uit de grond ontkiemden! Ik was zo gelukkig dat de tranen in mijn ogen sprongen. Ik beschermde de jonge planten zorgvuldig tegen vogels en dieren. Toen ze hoog waren gegroeid, oogstte ik het graan en bewaarde elk zaadje. Ik at er de eerste drie jaar niets van. In plaats daarvan plantte ik alles en kweekte steeds meer. Uiteindelijk had ik genoeg graan om brood te maken. Brood maken was weer een lang leerproces. Eerst moest ik gereedschap maken om het graan tot meel te malen. Ik sneed een grote houten kom en een zware steen om het graan te verpletteren. Toen moest ik uitvinden hoe ik het brood kon bakken zonder een echte oven. Ik bouwde een kleioven die behoorlijk goed werkte. Mijn eerste brood was lelijk maar smaakte heerlijk. Ik leerde ook geiten te houden voor melk en vlees. In het begin joeg ik alleen op ze met mijn geweer. Maar ik maakte me zorgen dat het buskruit ooit op zou raken. Dus groef ik kuilen en zette vallen om ze levend te vangen. Ik ving verschillende jonge geiten en hield ze in een omheind gebied. Ze werden tam en lieten me ze elke dag melken. Ik leerde boter en kaas te maken van de melk. Mijn kudde groeide naarmate de geiten jongen kregen. Al snel had ik meer melk en vlees dan ik kon gebruiken. Ik bouwde een tweede schuilplaats in een prachtige vallei die ik had ontdekt. Dit werd mijn buitenhuis, waar ik in de zomermaanden naartoe ging. De vallei stond vol fruitbomen en had een prachtig beekje. Ik plantte daar meer graan en legde een kleine tuin aan. Ik omringde het met een hoge haag om de geiten buiten te houden. Mijn twee huizen gaven me het gevoel een rijke landeigenaar te zijn. Natuurlijk was ik de enige persoon in mijn koninkrijk. Mijn onderdanen waren twee katten, een hond en een kudde geiten. Ik had ook een papegaai die ik leerde om mijn naam te zeggen. De vogel riep 'Robinson! Robinson Crusoe!' Mijn naam hardop horen uitspreken gaf me grote troost. Ik maakte kleren voor mezelf van geitenvellen. Ik had een hoge bontmuts, een jas en een broek die tot mijn knieën reikte. Ik maakte ook een paraplu om me tegen zon en regen te beschermen. Ik moet er heel vreemd hebben uitgezien, maar er was niemand om me te zien. Elke ochtend las ik uit mijn Bijbel en bad. Ik dankte God dat Hij me in leven hield en in mijn behoeften voorzag. Ik voelde me niet langer zo wanhopig en ellendig als voorheen. Ik had eten, onderdak en zelfs enig comfort in mijn leven. Het enige wat ik echt miste was menselijk gezelschap. Ik verlangde ernaar een andere menselijke stem te horen. Ik droomde van mijn familie in Engeland die ik waarschijnlijk nooit meer zou zien. Maar ik probeerde niet bij zulke droevige gedachten stil te staan. Ik richtte me op mijn werk en op dankbaar zijn voor wat ik had.

Comprehension Questions

4 questions

1

Hoe lang duurde het voor Robinson om één stoel te maken?

2

Welke verrassende planten groeiden uit de zak die Robinson had weggegooid?

3

Waarom at Robinson de eerste drie jaar niets van het graan?

4

Wat gaf Robinson de grootste troost in zijn eenzaamheid?

Vocabulary

30 words from this story

Continue Learning