het weekend→ weekendDutch word meaning
"het weekend" is a A2-level Dutch word meaning "weekend". Below you can find 12 example sentences with audio to help you understand how to use it in real Dutch conversations.
12 stories
Example Sentences

The Coffee Break
Anna vertelt me over haar weekend.
Anna tells me about her weekend.

Two Friends Planning
'Het gaat goed. Wat doe je dit weekend?' vraagt Maria.
'I am fine. What are you doing this weekend?' asks Maria.

The Business Lunch
Meneer Johnson vraagt naar mijn weekend.
Mr. Johnson asks about my weekend.

A Weekend in Paris
Mijn vriend en ik brengen het weekend door in Parijs.
My friend and I are spending the weekend in Paris.

The Tennis Match
Hij speelde elk weekend bij de lokale club.
He played every weekend at the local club.

The Talking Parrot
Het volgende weekend gingen ze samen naar een dierenwinkel.
The next weekend, they went to a pet shop together.

Car Breakdown
Hij keek uit naar het weekend.
He was looking forward to the weekend.

Making a Reservation
Sophie wilde een speciaal weekend plannen voor haar ouders.
Sophie wanted to plan a special weekend for her parents.

Weekend in Amsterdam
Lisa en Tom planden een weekendje naar Amsterdam.
Lisa and Tom planned a weekend trip to Amsterdam.

Dealing with Work Stress
Dat weekend kon Daniel niet uit bed komen.
That weekend, Daniel could not get out of bed.

Digital Detox
Ze zou een weekend zonder haar smartphone proberen.
She would try a weekend without her smartphone.

Training the New Employee
Verschillende collega's waren er al en bespraken weekendplannen.
Several colleagues were already there, discussing weekend plans.