Vandaag is het zaterdag. Ik ga naar de supermarkt. Ik moet eten kopen voor de week. Ik pak een winkelwagentje. Ik loop door de winkel. Ik leg appels in mijn wagentje. Ik vind vers brood. Ik heb ook melk en eieren nodig. Nu is mijn wagentje vol. Ik ga naar de kassa. Er is een lange rij. Ik wacht achter andere mensen. Een vrouw met een baby staat voor mij. De baby is erg schattig. De baby glimlacht naar me. Een oude man staat achter mij. Hij heeft maar drie dingen. De rij schuift langzaam op. Ik kijk op mijn telefoon. Ik lees het nieuws. Eindelijk ben ik aan de beurt. De caissière is vriendelijk. Ze scant mijn boodschappen. Ik betaal met mijn kaart. Ik pak mijn tassen en ga naar huis.

Dutch Story (A1)In de rij wachten
aboutStory
Een eenvoudig verhaal over een zaterdagse boodschappentrip naar de supermarkt. De verteller loopt door de winkel, vult de kar met boodschappen, en wacht in een lange rij terwijl ze de mensen om zich heen observeren.
1 / 25
🇳🇱→🇬🇧Click any sentence for translation
Test your Dutch skills with interactive exercises
Match 10 wordsFill 7 blanksReorder 7 sentencesDictate 7 sentences
