Het is winter. Vandaag is de lucht wit en grijs. Sneeuw valt uit de lucht. De sneeuw is zacht en koud. Alles buiten is wit. Ik kijk door mijn raam. Er ligt sneeuw op de bomen. De straten zijn stil vandaag. Kinderen spelen buiten. Ze maken een sneeuwpop. De sneeuwpop heeft een groot rond lichaam. Hij heeft een wortel als neus. Ik trek mijn warme jas aan. Ik draag ook mijn muts en handschoenen. Ik ga naar buiten met mijn hond. Mijn hond houdt van de sneeuw. Hij rent en springt in de sneeuw. Zijn neus is nat en koud. We lopen samen naar het park. Het park is vandaag heel mooi. Ik maak foto's met mijn telefoon. Mijn handen worden koud. We gaan terug naar huis. Ik drink warme chocolademelk in de keuken. Ik hou van sneeuwdagen.

Dutch Story (A1)Een sneeuwdag
aboutStory
Op een besneeuwde winterdag kijkt de verteller naar kinderen die buiten een sneeuwpop maken. Ze trekken warme kleren aan en gaan wandelen in het park met hun hond. De hond houdt ervan om in de sneeuw te spelen. Na foto's te hebben gemaakt en te hebben genoten van het mooie landschap, gaan ze naar huis om warme chocolademelk te drinken.
1 / 25
🇳🇱→🇬🇧Click any sentence for translation
Test your Dutch skills with interactive exercises
Match 10 wordsFill 7 blanksReorder 7 sentencesDictate 7 sentences

