Vandaag is een mooie dag. Mijn familie gaat naar het strand. De zon is warm en helder. De lucht is blauw met witte wolken. We vinden een mooie plek op het zand. Mijn vader zet een grote parasol op. Mijn moeder legt een kleurrijke handdoek op de grond. Ik trek mijn schoenen uit en voel het warme zand. Het zand voelt zacht tussen mijn tenen. Ik ren naar het water met mijn broer. Het water is koel en helder. We springen in de kleine golven. De golven spatten tegen onze benen. We lachen en spelen in het water. Mijn zus bouwt een zandkasteel. Ze gebruikt een kleine emmer en een schepje. Het zandkasteel heeft hoge torens. Ik help haar mooie schelpen te vinden. We leggen schelpen op de muren van het zandkasteel. Een meeuw vliegt boven ons. De vogel is wit met grijze vleugels. Het maakt een hard geluid. Mijn moeder geeft ons broodjes voor de lunch. We zitten onder de parasol en eten. De broodjes smaken lekker. We hebben ook koud water om te drinken. Na de lunch leest mijn vader een boek. Mijn moeder slaapt in de zon. We gaan terug naar het water om te zwemmen. Het water voelt lekker en koel. Ik zie kleine vissen in het water. De vissen zwemmen snel bij mijn voeten. In de avond gaat de zon onder. De lucht wordt oranje en roze. Het is heel mooi. We pakken onze spullen langzaam in. Ik ben moe maar blij. Mijn huid voelt warm van de zon. We zeggen vaarwel tegen het strand. Ik wil snel terugkomen. Het strand is mijn favoriete plek.

Dutch Story (A1)Op het strand
Dit A1 Nederlands verhaal is ontworpen voor beginner die Nederlands leren. Het bevat eenvoudige woordenschat en korte zinnen om je lees- en luistervaardigheden te verbeteren. Klik op elk woord om vertalingen te zien en de uitspraak te horen.
About this story
Een gezin brengt een perfecte dag door op het strand. Ze zwemmen in de koele golven, bouwen een zandkasteel en genieten van een picknick onder de parasol. Als de zon ondergaat, vertrekken ze blij en moe, verlangend om snel terug te komen.
Translations in English
Linked wordUnderlined wordOther words
Comprehension Questions
3 questions
1
Wie zette de parasol op het strand op?
2
Wat bouwde de zus op het strand?
3
Welke kleur kreeg de lucht in de avond?
Vocabulary
20 words from this story


