'Ik bevond me op een groene heuvel met uitzicht over een prachtig dal.' 'De lucht was warm en zoet, gevuld met de geur van bloemen.' 'Vreemde planten groeiden overal, met grote paarse en witte bloesems.' 'In de verte kon ik grote gebouwen van steen zien.' 'Ze waren enorm maar leken oud en verweerd.' 'Vlakbij stond een enorm standbeeld van witte steen.' 'Het was een sfinx met vleugels, gehouwen uit wit marmer.' 'Het gezicht was vreemd, met een mysterieuze glimlach.' 'Toen ik om me heen keek, merkte ik figuren op die me naderden.' 'Ze waren klein, niet groter dan kinderen.' 'Maar ik kon zien dat het geen kinderen waren.' 'Het waren volwassenen, maar zeer teer en mooi.' 'Hun huid was zacht en bleek, als bloemblaadjes.' 'Ze hadden grote, zachte ogen en krullend haar.' 'Ze droegen eenvoudige gewaden in felle kleuren.' 'Eerst leken ze bang voor me.' 'Maar toen lachte een van hen, en anderen vielen in.' 'Ze kwamen dichterbij en begonnen nieuwsgierig mijn kleren aan te raken.' 'Ik probeerde tegen hen te spreken in het Engels.' 'Ze begrepen me niet, maar ze waren niet bang.' 'Ze spraken in een zachte, muzikale taal die ik nog nooit had gehoord.' 'Ze pakten mijn handen en leidden me de heuvel af.' 'We gingen een van de grote stenen gebouwen binnen.' 'Binnen was het koel en gevuld met fruit en bloemen.' 'Ze boden me vreemde vruchten aan om te eten.' 'De smaak was heerlijk, anders dan alles uit mijn tijd.' 'Ik merkte dat ze alleen fruit en groenten aten.' 'Er was nergens vlees te bekennen.' 'Ik probeerde hun taal te leren, maar het was heel eenvoudig.' 'Ze hadden slechts een paar honderd woorden.' 'Complexe ideeën leken buiten hun begrip te liggen.' 'Ik leerde dat ze zichzelf de Eloi noemden.' 'Eerst dacht ik dat dit het paradijs moest zijn.' 'Deze vredige wezens hadden geen zorgen en geen werk.' 'Ze brachten hun dagen door met spelen, eten en slapen.' 'Maar al snel merkte ik iets vreemds op.' 'Hun geesten waren zwak, als de geesten van zeer jonge kinderen.' 'Ze konden zich niet langer dan een moment op iets concentreren.' 'Als ik hun een vraag stelde, verloren ze snel hun interesse en dwaalden weg.' 'Ze hadden geen nieuwsgierigheid naar de wereld.' 'Ze lazen of schreven niet.' 'Ze hadden geen machines, geen gereedschap, geen wetenschap.' 'Ik vroeg me af wat er met de grote menselijke beschaving was gebeurd.' 'Was de mensheid zo comfortabel geworden dat we waren vergeten hoe we moesten denken?' 'Ik begreep nog niet hoe fout ik zat over deze wereld.' 'De waarheid was veel duisterder dan ik me kon voorstellen.'
B1Chapter 5 / 15434 words46 sentences
De wereld van de Eloi
Chapter 5 · De tijdmachine · B1 Dutch. Tip: Click on any word while reading to see its translation. Take your time with each chapter and review the vocabulary before moving on.
Chapter Summary
In het jaar 802.701 n.Chr. ontmoet de Tijdreiziger de Eloi - kleine, kinderlijke wezens die in een schijnbaar perfecte wereld leven.
1 / 46
🇳🇱Nederlands→🇬🇧English
Linked wordUnderlined wordOther words
Comprehension Questions
4 questions
1
Wat was het grote witte standbeeld dat de Tijdreiziger bij de heuvel zag?
2
Hoe zagen de Eloi eruit volgens de Tijdreiziger?
3
Wat aten de Eloi?
4