A2 Dutch GrammarPresent Perfect Tense
Connect past actions to the present using the Dutch present perfect (voltooid tegenwoordige tijd). Form it with 'hebben' or 'zijn' plus the past participle. This tense is commonly used in spoken Dutch to describe past events.
1Formation with Hebben
Most Dutch verbs form the present perfect with 'hebben' (to have) + past participle. The past participle typically starts with 'ge-' and ends in '-d' or '-t' for regular verbs. The auxiliary 'hebben' conjugates while the participle stays the same. The participle goes to the end of the clause.
Present Perfect with Hebben
| Subject | Hebben | ...Rest... | Past Participle |
|---|---|---|---|
| Ik | heb | de film | gezien |
| Jij/Je | hebt | Nederlands | geleerd |
| Hij/Zij | heeft | een boek | gekocht |
| Wij | hebben | het huis | schoongemaakt |
| Jullie/Zij | hebben | de taart | gegeten |
Examples
Ik heb gisteren een film gezien.
I watched a movie yesterday.
hebben + gezien (zien → gezien)
Zij heeft een nieuw boek gekocht.
She has bought a new book.
hebben + gekocht (kopen → gekocht)
Wij hebben de hele dag gewerkt.
We have worked all day.
hebben + gewerkt (werken → gewerkt)
Heb je al gegeten?
Have you already eaten?
question: auxiliary first, participle last
2Formation with Zijn
Verbs of movement (gaan, komen, rijden) and state change (worden, blijven) use 'zijn' instead of 'hebben'. These are intransitive verbs that express motion or change. The rule: if you go somewhere or become something, use zijn. The participle still goes to the end.
Verbs Using Zijn
| Infinitive | Participle | Meaning | Example |
|---|---|---|---|
| gaan | gegaan | to go | Ik ben gegaan |
| komen | gekomen | to come | Zij is gekomen |
| worden | geworden | to become | Hij is geworden |
| blijven | gebleven | to stay | Wij zijn gebleven |
| vertrekken | vertrokken | to leave | Ze zijn vertrokken |
Examples
Ik ben naar Amsterdam gegaan.
I went to Amsterdam.
zijn + gegaan (motion verb)
Zij is vandaag jarig geworden.
She turned a year older today.
zijn + geworden (change of state)
De kinderen zijn thuis gebleven.
The children stayed at home.
zijn + gebleven (state verb)
Wanneer ben je aangekomen?
When did you arrive?
zijn + aangekomen (arrival = motion)
3Past Participle Formation
Regular past participles add ge- prefix and -d or -t ending based on 't kofschip rule: if the stem ends in t, k, f, s, ch, or p, add -t; otherwise add -d. Verbs with unstressed prefixes (be-, ge-, ver-, ont-, her-) do NOT add ge-. Separable verbs put ge- between prefix and stem.
Participle Formation Rules
| Verb Type | Infinitive | Stem | Participle |
|---|---|---|---|
| Regular -d | werken | werk | gewerkt |
| Regular -t | leven | leef | geleefd |
| No ge- (be-) | betalen | betaal | betaald |
| No ge- (ver-) | vertellen | vertel | verteld |
| Separable | opbellen | bel op | opgebeld |
Examples
Ik heb een cadeau gekocht.
I bought a present.
kopen → gekocht (t after ch)
Zij heeft de rekening betaald.
She paid the bill.
betalen → betaald (no ge- with be-)
Hij heeft me opgebeld.
He called me.
opbellen → opgebeld (ge- in middle)
We hebben het verhaal verteld.
We told the story.
vertellen → verteld (no ge- with ver-)
4Common Irregular Participles
Strong verbs have irregular past participles, usually with vowel changes and -en ending. These must be memorized. Common patterns exist but exceptions are frequent. The participle still takes ge- prefix unless the verb has an unstressed prefix.
Common Irregular Verbs
| Infinitive | English | Participle | Auxiliary |
|---|---|---|---|
| zijn | to be | geweest | zijn |
| hebben | to have | gehad | hebben |
| doen | to do | gedaan | hebben |
| zien | to see | gezien | hebben |
| schrijven | to write | geschreven | hebben |
Examples
Ik ben in Nederland geweest.
I have been to the Netherlands.
zijn → geweest (irregular)
Zij heeft veel boeken gelezen.
She has read many books.
lezen → gelezen (vowel change)
We hebben een brief geschreven.
We wrote a letter.
schrijven → geschreven
Heb je dat gedaan?
Did you do that?
doen → gedaan (irregular)